Haghorst

Geschiedenis (naar: ‘Haghorst ons dorpʼ)

Tot 1900 was Haghorst een vruchtbare enclave in een immens broekgebied, afgewisseld met heide en vennen. Naar Oirschot toe vond men vooral, heide, bent, wat bos en kreupelhout. Richting Moergestel en Tilburg waren niets dan moerasgebieden en rietvelden. Op 24 september 1331 legde hertog Jan van Lotharingen schriftelijk het gebruik van de gemeynt (gemeenschappelijke gronden) door de boeren van Haghorst schriftelijk vast. Ze staken er turf en delfde de moer. De heideplaggen werden naar de potstal gebracht voor de mest. Met de gestoken rossen werden de daken dichtgemaakt. De leem werd gebruikt voor de wanden van de huizen en stallen. Op de strook voor de boerderij mocht de boer een houtwal ten behoeve van geriefhout aanplanten. De schapen begraasden de heide en dronken uit de vennen, de bijen in de bijenkasten zorgden voor honing, de gagel werd geplukt om bier te brouwen. In ruil voor het gebruik betaalde de gemeenschap een jaarlijks cijns aan de hertog. In 1744 was dat 12 stuivers en 8 penningen per huishouden. Er woonden toen 41 geregistreerde personen in Haghorst. Elk dorp had zijn eigen gemeynt. Met palen werd de grens van de gemeynt duidelijk aangegeven. Bewoners van de buurdorpen hadden er niks te zoeken. Een vorster of schutter werd aangesteld om erop toe te zien dat er geen onregelmatigheden plaatsvonden. In 1796 een reglement opgesteld waarin werd beschreven waar precies de ‘gemene grondenʼ lagen en welke bestemming ze hadden. Zo waren er bijvoorbeeld stukken die alleen gebruikt mochten worden voor het weiden van het vee. Op andere delen mocht het vee grazen én mocht er turf worden gestoken. De resterende gronden van de gemeynt werd vrijgelaten voor allerlei gebruik.

Rond 1900 vond er een kentering plaats. Er werd veel en goedkope schapenwol ingevoerd uit Australië waardoor het houden van schapen minder lucratief werd. Door de uitvinding van kunstmest werd de mest uit de potstal minder belangrijk. De boeren gingen de heide ontginnen. Vanuit Zeeland zelfs kwamen boerengezinnen naar Haghorst om woeste grond te ontginnen. Maar omdat zij de Brabantse zandgrond op dezelfde wijze bewerkte als de Zeeuwse kleigrond mislukte hun missie. Meer succes hadden de pioniers uit West-Brabant. Omdat de gemeente Diessen geld nodig had voor het verharden van de doorgaande (zand)wegen, kwamen stukken heide te koop. Geleidelijk vestigden zich meer ontginningsboeren op de heide en werd de heide gecultiveerd. De benaming ‘die van de heide’, zoals de oudste bewoners van Haghorst laatdunkend door de Diessenaren werden genoemd, verdween hierdoor. Van groot belang voor Haghorst was de aanleg van het Wilhelminakanaal waarmee in 1910 in Oosterhout werd begonnen. Aanvankelijk werd met de schop gegraven door de zogenaamde polderjongens uit West-Brabant. Zij sliepen in keten langs het kanaal, ook in Haghorst. Na WO I werd steeds meer gebruikt gemaakt van graafmachines die gedurende de oorlog gebruikt waren om schuttersputjes mee te graven. Vrijwel meteen na de voltooiing bouwde de gemeente Diessen een loswal nabij sluis IV. Er werden weeghuisje en een weegbrug gebouwd. Een havenmeester werd aangesteld. De Boerenbond bouwde er een pakhuis. Kunstmest en zaaigoed werden over het Wilheminakanaal aangevoerd en agrarische producten afgevoerd. Een betonfabriek volgde, een handel in bouwmaterialen en een fabriekje in dakbeschot. Boerenzonen die geen eigen bedrijf konden beginnen vonden hier emplooi en vestigden zich in Haghorst. Ook vestigden zich steeds mee ontginningsboeren in Haghorst, afkomstig uit West-Brabant en de Achterhoek.

Een opvallend gebouw aan het kanaal is ongetwijfeld het pomphuis, oorspronkelijk gebouwd om het water terug te pompen in het hoger gelegen kanaalvak, maar sinds de aanleg van het zijkanaaltje in onbruik. Door de werking van de pomp om te keren wordt het pomphuis binnenkort in gebruik genomen als waterkrachtcentrale. Zo ontwikkelde Haghorst in een halve eeuw van een achtergebleven gebied met veel woeste natuur zich tot een kleine kern met sinds 1932 een eigen café, sinds 1947 een eigen kerk en vanaf 1950 een eigen school. Ook ‘eigenʼ verenigingen horen thuis in een kleine kern. In 1946 werd HEVO opgericht: Haghorst Haar Eerste Eigen Vereniging Voor Ontwikkeling en Ontspanning. Uit HEVO ontstond in 1975 toneelvereniging Ons Vermaak. Nadat in 1949 op aanraden van pastoor Versteijnen de Rooms-Katholieke Boerenbond Haghorst was opgericht, volgde uiteraard de Rooms-Katholieke Boerinnenbond. Ponyclub ‘t Wit Paardje vindt zijn oorsprong in 1968 onder de naam De Horstdravertjes. Ook een voetbalvereniging kon niet uitblijven. In 1956 werd EDN ‘56 opgericht, voluit “Ende Despereert Niet”. Van 1970 tot 1985 had EDN ‘56 een uiterst succesvol dameselftal binnen haar gelederen. Vanaf 1979 konden de meisjes ook terecht bij de korfbalvereniging. Vanaf 1968 heeft Carnavalsvereniging De Durdauwers een vaste plaats in binnen het dorp. Het Haghorstʼs Spektakel tenslotte, dat al veertig jaar lang plaats vindt in het laatste weekend van de bouwvakvakantie, heeft Haghorst echt op de kaart gezet.

Archieffoto’s van Commissie Kleine Kern Haghorst