Esbeek

De geschiedenis van Esbeek staat uitgebreid beschreven in het boek ‘Esbeek niet van gisteren’, een uitgave van Werkgroep Heemkunde Esbeek. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid zijn enkele vuurstenen voorwerpen uit het Mesolithicum, gevonden in de buurt van de Appelberg vlakbij Tulder. Een vuurstenen bijl, daterend uit het Neolithicum, werd gevonden op een akker nabij de Oude Trambaan. Sporen in de grond verraden dat hier waarschijnlijk een nederzetting is geweest. De opgegraven bronzen voorwerpen bewijzen dat ook in de Bronstijd dit gebied bewoond is geweest.

Een aantal kleine verhoginkjes in de buurt van camping Spaendershorst zouden overblijfselen van grafheuvels kunnen zijn. Tijdens het archeologisch voor-onderzoek, voorafgaande aan de geplande ruilverkaveling in de jaren 80 van de vorige eeuw, werden Romeinse scherven gevonden benevens materiaal uit de Middeleeuwen.

Aangenomen mag worden dat Esbeek en omgeving al duizenden jaren door mensen werd bezocht en bewoond. De oude nederzettingen zullen ongetwijfeld gelegen hebben tussen de beekdalen, waar voldoende stromend water aanwezig was om te drinken en om in te vissen. Het bos op de hogere delen leverde brandhout. De schapen werden gehouden voor de wol en het vlees. Van de huiden werd leer gemaakt. Door de schapen te weiden op de heide werden zaailingen voorkomen en bleef er voldoende bloeiende heide voor de honing. De heide werd gemaaid en in potstal vermengd met mest waarmee de kleine akkertjes werden bemest. Het potstalsysteem zou ook in Esbeek tot het eind van de 19e eeuw standhouden.

Het gehucht Esbeek bestond in die tijd uit 15 kleine, afgelegen buurtschappen, zoals Dun, Broeksie en Mostaard, met een overwegend arme boerenbevolking, omringd door uitgestrekte heidevelden zoals de Aalstheide, de Roovertse heide, de Lange Grachtse heide e.a. De verbinding met de omliggende plaatsen bestond slechts uit zandwegen, die ’s winters veranderden in modderpoelen.

Eind 19e en begin 20e eeuw vonden er grote veranderingen plaats in Esbeek.
Door de uitvinding van de kunstmest was de heide niet meer nodig voor het maken van mest in de potstal. Dankzij kunstmest kon men de heide gaan ontginnen. Levensverzekeringsmaatschappij ‘De Utrecht’ kocht 2500 ha heide van de gemeente Hoog en Lage Mierde en de gemeente Hilvarenbeek. 1375 ha werd bebost met productiehout, 200 ha bleef gereserveerd als natuurreservaat, de rest werd ontgonnen tot landbouwgebied. Hierdoor ontstond extra werkgelegenheid. De lokale boeren werkten volgens de ontginners op ouderwetse en daardoor onproductieve wijze. De Rotterdamse kunstenaar Andreas Schotel, die veel zomers doorbracht in Esbeek, heeft deze manier van werken in prachtige etsen heeft vastgelegd, die te zien zijn in het Andreas Schotel museum. De verzekeringsmaatschappij trok landbouwers van elders aan, veelal Zeeuwen van protestantse huize, die desondanks snel hun plek vonden in de Esbeekse gemeenschap.

Door de import van goedkope schapenwol uit Australië werd het houden schapen minder winstgevend. Het aantal schapen verminderde drastisch en de boeren begonnen met het ontginnen van kleine stukjes heide.

Met de komst van bouwpastoor Leonardus Jurgens in 1888, die de bouw van de kerk realiseerde, werd Esbeek een zelfstandige parochie met rond de kerk een zich snel ontwikkelende dorpskern. Jurgens haalde stevig de bezem door het gedrag van de Esbeekse parochianen die niet functioneerden volgens zijn normen. Vooral het overmatige alcoholgebruik bij het dansen en zingen in de herbergen, het uitbundig kermisvieren, het ‘losschieten’ van trouwlustige stellen, de braspartijen na schietwedstrijden waren hem een doorn in het oog. Hij richtte broederschappen op tegen godslasteringen en ter bestrijding van drankmisbruik. Hij verzorgde persoonlijk catechismuslessen op de Openbare school. Zijn opvolger, pastoor Van Dijk, richtte in 1901 de broederschap van de H. Cornelis op waarna Esbeek een druk bezocht bedevaartsoord werd.

Ook de aanleg van de tramlijn van Tilburg via Goirle en Hilvarenbeek naar Esbeek en vervolgens naar de Belgische grens (1907 – 1935) – de Oude Trambaan herinnert hier nog aan – droeg bij aan de veranderingen.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog kreeg Esbeek te maken met een grote stroom vluchtelingen uit België die waar mogelijk liefdevol werden opgevangen. Een klein aantal keerde na de oorlog niet terug naar hun land van herkomst.

Esbeek groeide en bloeide. Er kwamen cafés, kruidenierswinkels, een bakker, smederij, aannemer, loodgieter, houthandel, boerenbond, werktuigencoöperatie e.a. Sportverenigingen werden opgericht. Het inwonertal groeide zo snel dat de kerk te klein werd. In 1937 was de bouw van een nieuwe, grotere kerk voltooid.

Eind 20e viel ook Esbeek ten prooi aan ontkerkelijking en, na jaren van leegstand, is de kerk vanaf 2019 in gebruik als kinderopvang en basisschool! Ook de middenstand maakte een krimp, agrarische bedrijven saneerden. Dankzij “Coöperatie Esbeek” kon Gasterij Schuttershof voor het dorp behouden blijven als dorpscafé, ontmoetingscentrum en museum. Nieuwe woonwijken met starterswoningen zorgen ervoor dat jongeren in het dorp blijven wonen. En bedrijventerrein Mierbeek biedt voldoende werkgelegenheid.

(Bron: ‘Esbeek niet van gisteren’, een uitgave van Werkgroep Heemkunde Esbeek)