Aflevering 11: Baron

Aflevering 11 Baron van Slingelandt (1884 – 1967)

Van de schilderachtige figuur Baron van Slingelandt zijn geen foto’s bekend, behalve deze ene, gemaakt voor de bejaardenhuis Clossenborch, in de jaren zestig. Over de baron schreef Emmanuel Naaijkens in Tussen Paradijs en Toekomst van augustus 2009 het volgende.

“In mijn herinnering bestaat er een karakteristieke foto van de baron Van Slingelandt, staande naast zijn fiets in de Koestraat. Die fiets was een bijzonder apparaat. Je kon dat met recht een stalen ros noemen, of misschien passender nog een vélocipède. Een degelijk ouderwets rijwiel, dat de baron besteeg door eerst één voet op een pin bij de achteras te zetten. Vervolgens even ‘steppend’ gang te maken, om dan zijn andere been over het zadel te zwaaien en verder te fietsen. Van die fiets is volgens mij door Ran Naaijkens, ergens in de jaren zestig, een foto gemaakt, maar die heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen. Of vergis ik me wellicht en is de baron nooit, althans in Hil¬varenbeek, op de gevoelige plaat vastgelegd?
In mijn jeugd – we spreken over de jaren zestig – was de baron met Willem Smul¬ders (alias Rooie Fik) en Jan de Laat, in zijn invalidenwagentje, een van de drie schil¬derachtige dorpsfiguren waar allerlei vreemde verhalen over de ronde deden. Zo wa¬ren wij er als jonge ‘mennekes’ van overtuigd dat die rare baron, die niks anders leek te doen dan op zijn fiets het dorp te doorkruisen, schatrijk was, maar dat hij al zijn geld in de oorlog verstopt had en later niet meer terug had kunnen vinden. En dat hij daarom arm als een kerk¬rat bij de Zusters van Liefde in het bejaardenhuis (het Adria¬nusge¬sticht) woonde.
Baron Govert Jean Mathieu van Slingelandt, zo meldt zijn bid¬prentje, werd op 30 oktober 1884 geboren in Paramaribo en overleed op 9 december 1967 in Hilvaren¬beek. Hij wordt in de tekst omschreven als een man, adellijk van geboorte, die in het diepst van zijn wezen een eenvoudig man was en geen hoge eisen aan het leven stelde. ‘Hij wist zich in alles aan te passen aan ieder¬een en aan alle omstandigheden in het le¬ven’. Ander citaat: ‘Meer dan vele anderen had hij in zijn opvoeding een ontwikkeling genoten, doch daarop liet hij zich zelden of nooit voorstaan. Van hem kunnen we zeg¬gen, dat hij in zijn type een figuur was op zich en geen massamens.’
De baron is rond 1910 in Hilvarenbeek neergestreken, en hij heeft hier kennelijk een ‘goeien aord’ gehad, want hij was zeer verontwaardigd toen eind jaren vijftig werd be¬sloten om het Adrianusgesticht op te doeken. Dat schreef hij althans in een brief aan de bisschop. Hij wenste in Beek begraven te worden, in het familiegraf van Huijs¬mans, waar onder meer ook zijn nicht Maria Louise Henriette Sletering is begraven. En zo geschiedde ook.

De baron heeft zich ook sterk gemaakt voor het opheffen van het processieverbod in Nederland. Hij schreef daarover brieven aan de Eerste en Tweede Kamer. Zonder resultaaat overigens.

De eerste vermelding van een brief aan de Tweede Kamer van de baron dateert van 27 juni 1946 ‘betreffende de opheffing van het processieverbod’. Het is de eerste van een reeks brieven aan de parlementariërs. Helaas staat nergens beschreven wat precies de grieven waren van de baron en moeten we het doen met bijvoorbeeld een notitie dat ‘de baron er voor pleit dat het in het hele land voor katholieken weer mogelijk wordt om processies te houden’.

Het processieverbod was decennialang een gevoelig onderwerp in de Nederlandse sa¬menleving en is terug te voeren op de Tachtigjarige Oorlog. Het katholieke zuiden kwam toen onder gezag van het protestantse noorden. Openlijke ge¬loofsuitingen, zoals processies, werden aan banden gelegd. De Grondwet van 1814 en 1815 liet weliswaar godsdienstoefening op de openbare weg (zoals processies) toe, maar de overheid kon een concrete activiteit altijd verbieden als er vrees was voor ver¬storing van de openbare orde.
In het revolutiejaar 1848, zag het er even naar uit dat er een grotere grondwettelijke vrijheid zou komen voor openbare godsdienstoefening, maar de meerderheid van het parlement, bevreesd voor spanningen en onlusten in de samenleving, trok de touwtjes juist strakker aan. Vooral uit de hoek van de streng gereformeerden was er fel verzet tegen meer tolerantie jegens de rooms-katholieken. Processies waren dus vanaf 1848 taboe, tenzij ze reeds voor dat jaar aantoonbaar waren toegestaan.
Na de Tweede Wereldoorlog laaide het debat opnieuw op, niet in de laatste plaats door de versterking van de positie van de katholieken in het Nederlandse poli¬tieke krachtenveld. In de Kamer werd vanuit protestants-christelijke hoek bezorgd ge¬rea¬geerd op berichten in de dagbladen dat er processies werden gehouden in plaatsen waar dat verboden was. ‘Is de Minister bereid daartegen op te treden en zulks in het vervolg te voorkomen? De wetten des lands kunnen toch niet straffeloos overtreden worden!’, betoogde een gereformeerd Kamerlid.

Verzoekschriften worden, ter afdoening, door de Kamers in handen gesteld van de Commissie voor de Verzoek¬schriften en die kwam telkens tot de conclusie dat de inhoud van de verzoekschriften van de baron ter kennis moest worden aangenomen. ‘Er werden geen nieuwe gezichtspunten geopend’ of woorden van gelijke strekking. Onparlementair gezegd: naar de prullenbak.

Het heeft overigens nog tot de grondwetsherziening van 1983 geduurd voor het ver¬bod op het houden van processies werd geschrapt. De ontkerkelijking was toen echter al in volle gang, de Heilig Hartprocessies waren vanzelf al verdwenen, zoals die in Hilvarenbeek en Diessen. Op initiatief van het Venerable Gilde is in 1980 in Hilva¬renbeek de Sacramentsparochie uit de mottenballen gehaald, maar het is bij die ene keer gebleven.

[Aflevering 11, 24 september 2009]

Het leven van baron van Slingelandt II

Mevrouw Anneke Ooms uit Vessem, een rasechte Bikse, heeft baron van Slingelandt persoonlijk gekend. Zelf inmiddels al 85 jaar oud doet zij haar verhaal. Zij is de dochter van Joanus Roois, die woonde in de Gelderstraat en daar 100 jaar is geworden. Joanus Roois was de zoon van haar oma, Mina, die was getrouwd met Toon, en zij woonden in de jaren twintig-dertig in een vrijstaand huis op de hoek Diessenseweg – Bloemenstraat.

En bij Toon en Mina – de grootouders van Anneke Ooms dus – is de baron vijf jaar in de kost geweest. Anneke vertelt:
De baron werd door zijn ouders vanuit Paramaribo naar familie in Den Haag gestuurd omdat hij in Suriname het onderwijs niet kon volgen. Maar in Nederland ging dat niet veel beter.
De familie Slingelandt zat van thuis uit goed bij kas, maar vanwege de crisis in de jaren dertig, waarbij diverse banken omvielen, heeft de familie veel kapitaal verloren. De baron had een familierelatie met notaris Emiel Huysman en die kende de toenmalig burgemeester van Diessen, Johannes J. Heuvelmans (1900 – 1922), en gezamenlijk zorgden zij ervoor dat de baron te werk werd gesteld op het gemeentehuis te Diessen. Er moest brood op de plank komen. Inmiddels was de zus van Joanus Roois, die getrouwd was met Toon Heeffer, teruggekomen vanuit Indië.
Zij gingen wonen in het huis van Toon en Mina Roois, oftewel de laatste twee trokken bij hen in. De baron ging toen wonen bij de familie Roois aan de Diessenseweg.

Anneke herinnert zich de fiets van de baron nog goed, daar ging hij iedere dag op naar zijn werk in Diessen. Daar was hij zo zuinig op dat als er een plas op de weg lag hij afstapte en de fiets over de plas droeg. De baron at iedere dag ‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds twee boterhammen met iedere keer twee hard gekookte eieren. Oma hoefde nooit voor hem te koken.

Woensdag ging de baron naar Emielke, de notaris, en daar at hij warm. Op zaterdagmiddag ging hij met de fiets naar Tilburg, nam daar de trein en ging vervolgens naar familie in Den Haag en op zondagavond kwam hij terug. Ook bij de familie werd dan warm gegeten.

Als klein kind heeft Anneke vaak de baron gezien. Als zij dan bij oma was en de baron was daar dan zei hij heel bekakt: ‘Kijk jij ben er ook weer. ‘s Avonds vroeg de baron vaak aan oma: Mina hoe laat is het? En hoe laat het ook was, steevast was dan zijn antwoord: Zo laat? Dan moet ik weg. Oma kocht voor hem een klokje en zette het heimelijk op zijn kamer. De volgende dag zei de baron: Mina haal dat klokje maar weer weg want ik heb de hele nacht van het gerikketik niet kunnen slapen. Maar Mina wist wel beter, de baron was zijn praatje kwijt.’

In wezen zegt Anneke was de baron een goeie vriendelijke man, misschien wat excentriek en schoon schrijven kon hij verschrikkelijk goed. Gelukkig had hij de titel van baron, daar werd hoog tegen aan gekeken en zo is hij door het leven gekomen.

Cees Prinsen meldt nog over baron Van Slingelandt: ‘De baron was bewoner van het Gasthuis in de Koestraat waar ik zes jaar misdienaar was. Samen met gebroeders Jansen uit de Bloemenstraat (Henk, Ben en Sjef). Bij aparte gelegenheden gaf de baron een rijksdaalder (!) voor het misdienaarspotje. Een grof bedrag in die jaren rond 1950.’
[Aanvulling aflevering 11, 1 oktober 2009]

Baron van Slingelandt (III, slot)

“Nadat het begraven op het kerkhof rond de kerk aan de Vrijthof verboden werd, kocht het gemeentebestuur van Hilvarenbeek in 1828 twee percelen akkerland aan de Doelenstraat, om deze in te richten tot algemene begraafplaats, waarbij men bepaalde, dat bij het begraven geen onderscheid tussen personen gemaakt zou worden. Dit tot ergernis van de katholieken, die begraven wilden worden in gewijde grond. Pas in 1856 werd het kerkhof aan de Doelenstraat verdeeld in een groot kerkhof voor de katholieken en twee kleinere kerkhoven bedoeld als neutrale, algemene begraafplaats en een deel was bestemd voor het begraven van protestanten.
Nog in 1856 is het katholieke gedeelte, dat verkocht werd aan de katholieke kerkgemeenschap van Hilvarenbeek, ingezegend door de pastoor. Het katholieke kerkbestuur herstelde de verdeling in klassen en stond vanaf 1869 het metselen van grafkelders toe. In genoemd jaar kreeg de familie Majoie als eerste toestemming om een familiegrafkelder te laten metselen.

Spoedig daarna vroeg ook de familie Huijsmans, net als de familie Majoie behorende tot de dorpsnotabelen, om een familiegrafkelder te mogen oprichten. Deze grafkelder bood in beginsel plaats aan Johannes Wilhelmus Huijsmans geboren te Hilvarenbeek op 5 oktober 1803 als zoon van notaris, maire, en eerste burgemeester van Hilvarenbeek, Martinus Huijsmans en overleden te Hilvarenbeek op 26 maart 1879. In deze kelder is ook zijn vrouw Josephina Carolina Petronella Verlinden begraven, overleden te Hilvarenbeek op 18 april 1895. Uit dit echtpaar is te Hilvarenbeek één zoon geboren; Emilius Martinus Johannes Wilhelmus Eugenius Huijsmans, geboren op 4 februari 1850 en aldaar overleden op 3 mei 1920. Hij is begraven in deze familiegrafkelder, die later ook plaats bood aan zijn weduwe, Maria Louise Henriëtte Sletering, overleden te Arnhem op 19 januari 1949 en op 24 januari d.a.v. begraven in de voornoemde grafkelder, en haar neef, de in Hilvarenbeek legendarische baron Govert Jean Mathieu van Slingelandt, geboren te Paramaribo op 30 oktober 1884 en overleden te Hilvarenbeek op 9 december 1967.

Emiel Huijsmans wist als notaris wat er omging in de gemeente en deze kennis en zijn rijkdom heeft hij gebruikt om op grote schaal grond te kopen in de gemeente Hilvarenbeek. Als grootgrondbezitter heeft hij veel gedaan aan verbetering en bebossing van zijn goederen: Aalst, Tulden, de Overheide, Gorp en Rovert, Annanina’s Rust enz. en vooral aan hem dankt Hilvarenbeek de ruime aanwezigheid van natuurschoon in de gemeente.
Het grafmonument van de familie Huijsmans is dus de herinnering aan een stuk verdwenen Beekse geschiedenis, de laatste rustplaats van een familie, die drie generaties lang een stempel op de Beekse geschiedenis heeft gedrukt. En helaas een van de slechts twee grafmonumenten die Hilvarenbeek nog resten uit de 19e eeuw”. Tot zover Jef van Gils in Tussen Paradijs en Toekomst.

De heemkundige kring Ioannes Goropius Becanus heeft het College van burgemeester en Wethouders van Hilvarenbeek reeds in 2008 gewezen op de deplorabele toestand waarin de bovenomschreven graf tombe zich bevindt. Herhaalde malen zijn wij daar als hoeder van het culturele erfgoed van Hilvarenbeek ook door inwoners van Hilvarenbeek op gewezen. Deze graftombe is een gemeentelijk monument en de verantwoordelijkheid hiervoor rust bij de wethouder monumentenbeleid. Deze heeft voor de restauratie van deze graftombe reeds een subsidiabel bedrag toegekend. Het wachten is nu op de uitvoering van de restauratie waarvan de heemkundekring heeft begrepen dat hiervoor ook de gemeentelijke monumentencommissie zal worden ingeschakeld.
[Aanvulling aflevering 11, 15 oktober 2009]

Geef een reactie