Bric à Brac

FRAGMENTEN VAN DE LOKALE GESCHIEDENIS
door Emmanuel Naaijkens

EEN LEGENDARISCHE WIELERRONDE 

Frans van Eekelen, geboren in 1912 en overleden in 1996 was in Hilvarenbeek bepaald geen on­bekende. Dertig jaar was hij actief bij de vrijwillige brandweer, waarvan 13,5 jaar als ondercommandant. Maar Frans was ook een fanatieke sportliefhebber. Hij stond als verzorger en EHBO’er 25 jaar langs de lijn bij Hilvaria, en hij was nauw be­trokken bij de plaatselijke wielersport. Hij was een van de drijvende krachten achter de Tour de Loo, de Beekse Omloop en later achter Wielerclub WSC.

Hilvarenbeek heeft een lange wielertra­ditie, die teruggaat tot de negentiende eeuw. Op 17 juni 1897 werd wielerclub Velocitas opgericht, waarvan onder meer leerlooier Janus Mallens en bier­brouwer Swinkels lid waren. Het was de eerste sportvereniging van Hilvaren­beek en het frappante is dat het epithon ‘Rooms Katholiek’ ontbreekt. Kennelijk had de geestelijkheid nog niet in de ga­ten dat sport een hoge vlucht zou ne­men. 

In de Eerste Wereldoorlog was het ge­daan met Velocitas. Maar de wieler­sport bleef mensen boeien en in de ja­ren twintig kreeg Hilvarenbeek een nieuwe wielerclub met de naam De Toekomst, er werd zelfs een wielerbaantje aangelegd. De optimistische naamgeving kon niet voor­komen dat de club ter ziele ging. En dan had je nog Jan Scheirs, een kennelijk redelijk succesvolle coureur in de jaren dertig. Neef Jan Scheirs weet uit de familieverhalen dat zijn oom in zijn jonge jaren aan tal van kermiskoersen meedeed, vooral in België.

Na de oorlog, in 1948, kwam de wielersport opnieuw op in Hilvarenbeek. Het was de tijd dat kleurrijke coureurs als Wout Wagtmans en Wim van Est aan het Nederlandse wielrennen een impuls gaven. Frans van Eekelen was een van de initiatiefnemers van een Beekse wielerronde, die op gewone fietsen werd gereden. De aanleiding was de herdenking van de bevrijding. Het parcours voerde door het Groot en Klein Loo en de naam lag dus voor de hand: Tour de Loo. De lengte bedroeg 3.15 km. Er werd gereden in twee groepen: jongens tot 17 jaar (6 ronden) en daarboven (10 ronden).

De jury bestond uit Stan Fa­vier (tevens algehele leiding), Leo Tooten, Ran Naaijkens en Piet van Raak (‘Peer Muis’). Bij de rondecontroleurs komen we de namen tegen van Ben Hesselmans, Frans Kuijpers, Cees Nymeijer, Fried de Leijer en Frans van Eekelen. Speaker was Jef Naaijkens. Later zouden er motorordonnansen worden ingezet: de gebroeders Maillé.

Links Ran Naaijkens en de winnaar van de Tour de Loo in 1956. Rechts Frans van Eekelen, als altijd met een sigaar.
Links Ran Naaijkens en de winnaar van de Tour de Loo in 1956. Rechts Frans van Eekelen, als altijd met een sigaar.

De Tour de Loo heeft kennelijk het enthousiasme voor de wielersport een flinke zet gegeven, want in 1953 ging de Beekse Omloop van start, een wedstrijd onder auspiciën van de KNWU. Een koers dus voor geregistreerde nieuwelingen en ama­teurs. En in het organiserend comité, onder leiding van gemeentesecretaris Harrie van de Sanden, komen we ook de naam van Frans van Eekelen weer tegen.Hoe vaak de Tour de Loo en de Beekse Omloop zijn verreden, is niet te achterha­len, dat vergt nader onderzoek. Wel dat het wielerklimaat gunstig was eind jaren zestig. Plaats­ge­noten als Kees en Rinie Kuys koersten verdienstelijk, Jan Harbers won de Tour de Loo van 1967. Op 1 maart 1970 lanceerden Fons van Luffelen en Way Naaijkens de Wieler Supporters Club (WSC) Hilvarenbeek. Deze club zou de plaatselijke wielerronde van Hilvarenbeek vanaf 1971 nieuw leven inblazen.

MEESTER VAN LISDONK OP DE BARRICADEN

Het jaar 1917 was een roerig onderwijsjaar. Niet alleen vanwege de Schoolstrijd die ging over gelijke bekostiging van het openbaar en katholiek onderwijs, maar ook vanwege acties tegen de lage salarissen voor de onderwijzers. De vakbonden organi­seerden protestmeetings (dat woord werd toen al gebruikt) om de lonen en pensioenen omhoog te krijgen. Meester Jozef van de Lisdonk, hoofd van de openbare lagere school in Hilvarenbeek en lid van het hoofdbestuur van de RKBO, had een vooraanstaande rol in het ver­zet. Op een bijeenkomst van de katholieke Onderwijzersbond in het Bisdom Den Bosch hield hij een vlammende toespraak. De zaal onder­streepte zijn betoog met een donderend applaus, aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant van 19 november 1917. Vooral zijn opmerking dat het Haagse beloningsbeleid niet meer dan aan ‘fooienstelsel’ was ging er bij de onderwij­zers in als koek.

Het was overigens niet vreemd dat Van de Lisdonk als onderwijzer van een open­bare school lid was van een katholieke bond. Het bijzonder onderwijs (katholiek, protestant, enz.) was immers nog achtergesteld. Openbare scholen in Brabant waren in die tijd de facto katholieke scholen. Ze liepen leeg toen het bijzonder onderwijs ook overheidssubsidie kreeg. In Hilvarenbeek stond de toenmalige openbare school in de Paardenstraat (nu pand fotograaf Roelofs). In Diessen aan het Hoekje. Die school kwam in 1929 in handen van de katholieke kerk.

Meester Jozef van de Lisdonk in plusminus 1920.
Meester Jozef van de Lisdonk in plusminus 1920.

BOEK OVER GESCHIEDENIS VAN HET PAROCHIEHUIS

Het einde van het roemruchte parochiehuis/Elckerlijc nadert met rasse schreden. Straks hebben we alleen nog onze herinneringen aan het gebouw, en de foto’s natuur­lijk. En gelukkig hebben we Hein Kanters die op het lumineuze idee is gekomen om de kleurrijke geschiedenis van dit gemeenschapsgebouw vast te leggen. In het najaar verschijnt er een boek waarin Kanters een schets geeft van het gebouw waar talloze activiteiten hebben plaatsgevonden.

Het parochiehuis aan de Koestraat in de jaren dertig. Wat opvalt is de stijlvolle inrichting van de zaal.
Het parochiehuis aan de Koestraat in de jaren dertig. Wat opvalt is de stijlvolle inrichting van de zaal.

OOK IN 1931 WAREN ER ZORGEN OVER DE KOSTEN VAN HET PAROCHIEHUIS 

Over de financiële exploitatie van het MCC als opvolger van Elckerlijc (c.q. gemeen­schapshuis, parochiehuis) is veel te doen geweest. Een van de twistpunten was (is) of de KBO gebruik gaat maken van het nieuwe cultureel centrum. Het gaat, als ik het goed begrepen heb, over de prijs van een kopje koffie. Nu kunnen we daar wat lache­rig over doen, maar de KBO telt heel veel leden en het gaat dus om een flink bedrag. Dus wel of niet naar het nieuwe MCC, dat is de vraag.
In dat opzicht herhaalt zich de geschiedenis. Want ook bij de opening van het paro­chiehuis in 1930 speelde de vraag wie er van de nieuwe accommodatie gebruik zou gaan maken. Voor de Katholieke Onderwijsbond, afdeling Hilvarenbeek en Diessen, was het een serieus punt van discussie, zo blijkt uit het verslag van de vergadering op 26 maart 1931 in de Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC). In die tijd waren vakbonden een nieuw fenomeen en waren er tot in de kleinste gemeenten plaatselijke afdelingen. De onderwijzers van Hilvarenbeek en Diessen hadden in 1923 de handen ineen gesla­gen, uiteraard onder de vlag van de rooms-katholieke moederbond. Eerste voorzitter was J. Loonen, hoofdonderwijzer van de jongensschool in Diessen.
Dat Hilvarenbeek en Diessen een eigen afdeling oprichtten gaf enig rumoer in de re­gio, de afdeling voor Tilburg e.o. was hierin niet gekend. Op de jaarvergadering van de Tilburgse onderwijzers werd er gemord over de ‘geheimzinnige wijze’ waarop die nieuwe afdeling er was gekomen. Van die kritiek lagen de Beeks/Diessense onderwijzers overigens niet wakker, zo bleek op de eerste jaarverga­dering.
Die jaarvergadering vond plaats in de zaal van Hotel De Valk (waar nu de HEMA staat) en het zou uitgerekend deze locatie zijn waar in 1931 binnen de afdeling van de Onderwijzersbond discussie over ontstond. Het begon er al mee dat tot irritatie van meester Van de Lisdonk geestelijk adviseur pastoor Van Beijnen, niet uitgenodigd was. En het was – uiteraard – de pastoor die erop had aangedrongen om als Onderwij­zersbond voortaan in het nieuwe parochiehuis te vergaderen, dat gebouw was immers van de kerk.
Over het voorstel ontstond een breedvoerige discussie, staat te lezen in de Nieuwe Tilburgsche Courant. “De heer Hertsig voelt weinig voor verandering. In de tegen­woordige zaal is steeds kosteloos vergaderd, terwijl de bediening er in alle opzichten correct is.” Waarop Van de Lisdonk antwoordde dat er rekening gehouden diende te worden met de wens van ‘den Adviseur’ om alle katholieke verenigingen onder te brengen in het parochiehuis. Hij kreeg bijval van meester Tooten: “’t Gaat hier om het zedelijk voorbeeld van den onderwijzer”. Meester Van den Bosch was blijkbaar niet zo gecharmeerd van de bemoeienis van de plaatselijke clerus. De Onderwijsbond is geen parochiële vereniging, merkte hij op. Maar de kerk trok aan het langste eind, ne­gen leden stemden voor het parochiehuis als nieuwe vergaderlocatie, drie stemden voor De Valk.

EEN ‘ORKANISCHE’ WINDHOOS IN 1918

De Eerste Wereldoorlog was nog volop gaande toen op 8 september 1918 Hilvaren­beek werd getroffen door een fikse windhoos. De Nieuwe Tilburgsche Courant maakte er melding van. ‘Circa 4 uur woedde gisteren namiddag een windhoos boven een deel van het dorp en hier en daar heel wat schade aanrichtte. Eerst vernielde hij eenige fruitboomen in den tuin van het klooster, knakte de stammen door als pijpesteelen en voerde takken en stukken hoog door de lucht met een orkanische woede, zoodat de oude vrouwtjes meenden, dat de wereld zou ver­gaan. Vervolgens sloeg hij in een drietal huizen in de Koestraat groote gaten in het dak en smakte heele rijen pannen langs den weg neer.’

Daarna ging de windhoos richting Marktplein (Vrijthof) en had het daar gemunt op de eeu­wenoude lindenboom. Die werd, als we de courant mogen geloven, danig toegetakeld. En dat voor een boom die reeds ‘zoveele stormen triomfantelijk trotseerde’.  Een van de vier grote takken brak af waardoor een ‘onherstelbare schade aan dit beroemde na­tuurmonument werd toegebracht’.

Daarmee was het leed voor Beek nog niet geleden, de storm raasde voort naar ‘Paar­denstraat en Houtakkersche weg, Varkensmarkt en Gelderstraat, waarbij overal de daken en bomen het moesten ontgelden. En kort daarna zag men overal de ambachts­lui op de daken klauteren, om de daken met spoed te herstellen’.
p.6 Ansicht Vrijthof oud

 

 

 

 

 

 

 

DE VERZAMELWOEDE VAN CEES PRINSEN

Dat Cees Prinsen uit het Groot Loo als een ek­ster relicten van het Beeks verleden verzamelt is algemeen bekend. Maar onlangs stuitte ik, dankzij het internet, op een wel heel bijzonder voorbeeld van de verzamelwoede van Cees. In het digitaal archief van de gemeente ’s Herto­genbosch viel mijn oog toevallig op bijgaande foto omdat het woord Hilvarenbeek in de omschrij­ving stond vermeld. Ik dacht even de voordeur te zien van een oud pand in Hilvarenbeek, maar het blijkt om een huis in Den Bosch te gaan aan de Kerkstraat 67. Het pand is in 1968 gesloopt. Het stadsbestuur was er toen nog van overtuigd dat Den Bosch in de vaart der volkeren moest wor­den opgestuwd door karakteristieke gebouwen af te breken. Maar goed, daar gaat het nu niet over. Deze foto bevindt zich in het stadsarchief en het bijschrift vermeldt dat ene Cees Prinsen in 1987 heeft laten weten dat het smeedijzeren traliewerk in de vensters naast de voordeur zich in zijn bezit bevond. Er blijft ook niets ge­heim…
p.6 Den Bosch Cees prinsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE BEROEMDE BURGEMEESTER JAN MEUWESE

In recente nummers van Tussen Paradijs en Toekomst zijn biografische schetsen verschenen van ‘Bekende Bekenaren’: ir. Cees van Meel, Eugène van der Heijden en dokter Ruhe (in dit nummer deel 2). Maar van één BB’er ontbreekt tot nu toe een uitgebreide levensbeschrijving: Jan Meuwese. Markante burgemeester van de gemeente Hilvarenbeek van 1946 tot 1975. En als er van iemand nog gegevens te achterhalen zijn dan wel van deze burgervader wiens faam tot ver over de gemeentegrenzen reikte. Ik kom erop omdat ik onlangs bij toeval op onderstaande foto stuitte. Daarop zien we Meuwese in 1945 als waarnemend-burgemeester van de gemeente Udenhout.

Jan Meuwese, waarnemend burgemeester in Udenhout in 1945. Het zou een opstapje blijken voor Hilvarenbeek.
Jan Meuwese, waarnemend burgemeester in Udenhout in 1945. Het zou een opstapje blijken voor Hilvarenbeek.

 

 

 

 

 

 

 

 

Een jaar later werd hij bij Koninklijk Besluit benoemd tot burgemeester van Hilvarenbeek, tot verrassing van velen. Want in die gemeente nam gemeentesecretaris J. van der Burg de honneurs waar en de verwachting was kennelijk dat hij tot burgemeester zou worden benoemd. Van der Burg kreeg als troostprijs (?) de toenmalige gemeente Hooge en Lage Mierde, waar hij tot 1965 burgemeester was.

Ontegenzeggelijk heeft Meuwese, op 20 augustus 1913 geboren in ’s-Hertogenbosch, zijn stempel op Hilvarenbeek gedrukt. Hij stond mede aan de wieg van de Groot-Kempische Cultuurdagen (1947 – 1971) die het dorp zowel in Nederland als in een Vlaanderen een ongekend cultureel imago hebben bezorgd, waar we vandaag de dag nog op teren. Het is verbazingwekkend hoe het kleine Hilvarenbeek met name in de jaren vijftig en begin jaren zestig dankzij de Cultuurdagen de media haalde. In een tijd dat tv nog een schaars goed was, reisden cameraploegen vanuit Hilversum naar het ‘diepe Zuiden’ om verslag te doen van deze culturele gebeurtenis.

In het archief van Beeld en Geluid bevinden zich diverse tv-opnamen, zoals van het programma van Van Gewest Tot Gewest (14 juli 1965, NTS). Verslaggever Jan de Roode maakte toen een reportage van de Cultuurdagen en hij interviewde onder meer ook burgemeester Meuwese. Dat gesprek is in meerdere opzichten een waardevol document. Op de eerste plaats is het een treffende illustratie van de gezagsverhoudingen in de maatschappij. De burgemeester is nog een heuse autoriteit en je krijgt de indruk dat verslaggever De Roode bij Meuwese op audiëntie komt. Het fragment laat ook goed zien waarom de media graag naar Hilvarenbeek kwamen. Meuwese had uitstraling, hij was een personality en daar houden journalisten van, omdat het publiek ervan houdt.

Het interview laat onbedoeld ook zien dat Meuwese een behoorlijke dosis eigendunk had. Op een vraag van de verslaggever vertelt de burgemeester over het ontstaan van de Cultuurdagen. In het voorjaar van 1947 werd in de Abdij van de Witheren van Postel een conferentie gehouden van de Vereniging van Kempische Schrijvers. Toevallig brachten die dag burgemeester Meuwese, Jan Naaijkens en Piet Mutsaers (Brabantia Nostra) op uitnodiging van de abt een bezoek aan de abdij. In de uitzending zegt de burgemeester dat de abt op een gegeven moment voorstelde om naar de conferentie te gaan. Waarop Meuwese ongeveer zo reageerde: “Maar abt, wij kunnen daar toch zomaar niet naar binnen gaan. Die mensen kennen mij helemaal niet!”. Een ander zou gezegd hebben: ‘Ik ken die mensen niet’.

Burgemeester Meuwese stond graag in het centrum van de belangstelling – maar dat is misschien ook wel een eigenschap die je als burgemeester moet hebben. Dat zorgde wel voor een wat ongemakkelijke verhouding met de gemeenteraad en met de bevolking. Zeker in de laatste tien jaar van zijn bestuursperiode. Meuwese was niet geheel onomstreden, wat ook niet zo vreemd is als je al zolang op een en dezelfde post zit. Dat zou een element moeten zijn in een levensbeschrijving van Meuwese.

Waarom is hij nooit naar elders vertrokken? Kon hij de Cultuurdagen niet loslaten? Had hij geen ambities? Lag hij niet goed in zijn partij (de KVP) en wat klopt er van het verhaal dat hij gepasseerd is voor het burgemeesterschap van ’s-Hertogenbosch. Meuwese genoot bekendheid als beiaardier (zelfs het Nieuwsblad van het Noorden wijdde er in 1964 een groot artikel aan). Maar hij was ook – het is bijna niet voor te stellen – een aantal jaren voorzitter van onze heemkundige kring.

Kortom stof genoeg voor op zijn minst een biografische schets. Ongetwijfeld zullen daarmee nog niet alle vragen beantwoord worden, of je moet het geluk hebben van een dagboek of persoonlijke brieven.

Burgemeester Jan Meuwese tijdens zijn installatie op 22 juni 1946 voor de ingang van het oude gemeentehuis. Links zijn moeder. Rechts staat Leo Tooten.
Burgemeester Jan Meuwese tijdens zijn installatie op 22 juni 1946 voor de ingang van het oude gemeentehuis. Links zijn moeder. Rechts staat Leo Tooten.

ROOMSCH IN ALLES (1)

Dr. James Kennedy is hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en hij is, zoals uit zijn naam valt af te leiden, niet in Nederland ge­boren. Zijn wieg stond in Orange City in de Amerikaanse staat Iowa. Orange City – Oranjestad, inderdaad, gesticht door Nederlandse immigranten. Kennedy heeft dus een band met Nederland, zijn moeder is een Nederlandse. Tijdens zijn studie cul­tuurhistorie in Washington, raakte hij geinteresseerd in het land van zijn voorvade­ren en zijn proefschrift gaat over de jaren zestig in Nederland. Wat Kennedy als historicus zo boeiend maakt is dat hij als relatieve buitenstaander de ontwikkelingen in Neder­land beschouwt, met name in de naooorlogse periode die, zo lijkt het, hun weerslag hebben op wat ons nu allemaal bezighoudt.

Waar Kennedy zich erg over verbaast is dat wendingen in de geschiedenis in Ne­derland zo abrupt zijn. Sprekend over de ‘revolutionaire’ jaren zestig: “Mij fasci­neert de collectieve bereidheid om ineens afscheid te nemen van oude waarden en zich tot nieuwe te bekeren. Ik zie die forse omslagen als een typisch Nederlands fe­nomeen in de geschiedenis.” In dit verband noemt hij ook de razendsnelle ‘bekering’ van de katholieke kerk in Nederland. Een onderwerp dat in zijn ogen in de mo­derne geschiedschrijving tot nu toe onderbelicht is.

1. Sacramentsprocessie 1948 in Hilvarenbeek. In de koets de juist benoemde pastoor Kocken. De grote misdienaar, Frans de Kort, is later priester geworden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik moest aan Kennedy’s uitlatingen denken, toen iemand mij onlangs wat kran­tenknipsels uit het Nieuwsblad van het Zuiden uit de jaren zestig toeschoof. Arti­ke­len over de uitbreidingsplannen van Hilvarenbeek, van wat nu de Elstakkers en de Doelakkers zijn. Opvallend detail in die plannen was dat er serieus rekening mee gehouden werd dat er in het dorp een tweede katholieke kerk moest komen om de aanwas van nieuwe zielen op te vangen. Met de wetenschap van nu een op­merkelijk optimistische gedachte, maar toen was dat een veronderstelling die breed gedragen werd. In 1965 bereikte de  nieuwbouw van r.k. kerken in de Nederlandse kerkpro­vincie een absoluut hoogtepunt. In het bisdom Den Bosch werden in 1961 liefst ne­gen nieuwe kerken ingewijd. Vanaf het midden van de ja­ren zestig zet een daling en in 1970 beginnen de eerste kerksluitingen, al gauw ge­volgd door sloop van kerkge­bouwen.

In die periode gonsde het in de kerk van vernieuwing. Denk maar eens de redes  van de legendarische bisschop Bekkers op tv en aan het Tweede Vati­caans Concilie in Rome. Maar kennelijk hield niemand in ons land er rekening mee, dus ook de Beekse bestuurderen niet, dat die vernieuwingstendenzen zouden kunnen leiden tot een ware leegloop van de kerk in plaats van een versterking van de katholieke kerk­gemeenschap. Die omwenteling heeft zich in krap tien jaar voltrokken.

Prof. Kennedy vraagt zich af hoe die verandering zich zo snel heeft kunnen vol­trekken, maar zijn collega prof. Peter Nissen, hoogleraar kerkgeschiedenis te Nij­megen, heeft dat overtuigend uitgelegd in deel III van de Geschiedenis van Noord-Brabant. Zijn bijdrage heeft als veelzeggende titel ‘Vergruizing van de katholieke zuil’.

De periode na de Tweede Wereldoorlog kenmerkt zich door restauratie van de katholieke zuil. Dat was nodig omdat de oorlog een aantal katholieken op het idee had gebracht dat men ook wel gelovig kon zijn, zonder het keurslijf van katholieke organisaties op tal van leefgebieden. De bisschoppen wilden daar echter niet van weten, de patronen van de kerkelijke praktijk en de volksvroomheid werden her­steld. “Zo werd in het eerste decennium na de bevrijding weer op grote schaal te­ruggegrepen naar het beproefde middel van de volksmissies, met de bedoeling de gelovigen zo veel mogelijk in de gebaande vooroorlogse paden terug te brengen”, aldus Nissen. Aanvankelijk leken de bisschoppen, pastoors, kapelaans, fraters, pa­ters en nonnen in hun opzet te slagen.  Op grond van de massale kerktrouw meent de Nijmeegse hoogleraar zelfs te kunnen stellen dat het hoogtepunt van het Rijke Roomsche Leven niet tussen de twee wereldoorlogen in heeft gelegen, zoals vaak verondersteld, maar in de jaren vijftig.

2. In Hilvarenbeek heeft men het H. Hartbeeld, een van de symbolen van het Rijke Roomsche Leven in 1965 naast de kerk begraven. In Diessen (zie foto) staat het beeld nog fier overeind: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’.

Maar vanaf het eind van die jaren vijftig gaat veel van wat decennia lang ver­trouwd was in de katholieke kerk aan het schuiven omdat de samenleving als geheel in beweging komt. Kenmerkend is volgens Nissen de snelle verdwijning van het sacrament van de biecht, dat eeuwenlang een centrale plaats in de geloofsbeleving had ingenomen. Het afleggen van individuele verantwoording in een biechthokje werd als een ongewenste inbreuk in de persoonlijke levenssfeer beschouwd. Enige jaren waren er nog collectieve boetevieringen, maar ook die hielden geen stand. Met de terugloop van de invloed van de kerkelijke moraal, nam ook de sociale van­zelfsprekenheid van het katholicisme in Noord-Brabant af, aldus Nissen. Tal van organisaties stelden de ‘K’ in hun naam ter discussie – en namen er vervolgens af­scheid van. Natuurlijk zijn er clubs die aan hun naam hebben vastgehouden, maar hoeveel mensen zouden nog weten wat de letters RK betekenen in de naam van de Diessense voetbalclub RKDSV of in RK Harmonie St. Willibrordus?

In zijn beschouwing in de Geschiedenis van Noord-Brabant geeft prof. Nissen niet direct een oorzaak van de aardverschuiving in de katholieke gemeenschap. In een interview in het Brabants Dagblad van 14 maart 1998 drukte hij zich expliciteit uit over de marginale betekenis van de katholieke kerk in de moderne Brabantse samenleving.

“Het kerkbezoek heeft hier nog lange tijd boven het gemiddelde van Nederland gelegen, maar de laatste jaren ligt het er zelfs onder. De secularisatie zet zich hier nu sterker door.” Dat de ontkerkelijking zo schril afsteekt bij het Rijke Roomsche Leven van weleer, liet zich in de ogen van prof. Nissen onder meer verklaren uit de oppervlakkige geloofsovertuiging van veel katholieken. “De kerk wilde zoveel mo­gelijk gelovigen mobiliseren, het ging vooral om het uiterlijk vertoon. Voor een werkelijke verdieping van het geloof was nauwelijks aandacht. Voor het oog van het kerkvolk hield iedereen zich volgens prof. Nissen braaf aan de kerkelijke nor­men, maar ‘thuis dacht men er het zijne van’.

ROOMSCH IN ALLES (2)

Het hele leven van de parochianen was doordesemd van het katholieke geloof: niet alleen de geloofsbeleving als zodanig, maar ook werk, opvoeding, vrijetijd, onder­wijs, politiek en zorg. Roomsch in alles noemde men dat, en heel wat pastoors in de parochies in de toenmalige gemeenten Hilvarenbeek en Diessen namen het voor­touw bij het stichten van organisaties op katholieke grondslag. Deels was dat uit welbegrepen eigenbelang. Zo hoopte men te voorkomen dat katholieken zouden be­zwijken voor bijvoorbeeld de verlokkingen van het ‘Goddeloze socialisme’, de wind moest uit de zeilen gehaald worden.

Beeldend is bijvoorbeeld het lied Roomsche Blijdschap, waarvan het eerste couplet als volgt luidde en dat in marschmaat uitgevoerd moest worden:

Roomschen dat zijn wij met ziel en met harte
Roomschen dat zijn wij met woord en met daad
Roomschen, wat onspoed of leed ons tarte
Roomschen, tot eenmaal het stervensuur slaat
Roomschen in huis, Roomsch ook daarbuiten,
Schamen we ons nimmer d’eervolle keus;
Lafheid noch vrees zal de lippen ons sluiten;  ) bis
Roomschen dat zijn wij, dat is onze leus         )

Dit lied werd bijvoorbeeld gezongen in de jaren twintig op een propa­ganda-bijeen­komst van de RK Werklieden Vereniging St. Jozef van Hilvarenbeek. Deze vak­bond was opgericht in 1917, niet alleen om de werknemersbelangen te dienen, maar zeker die van de katholieke kerk. Kapelaan Simons zei over dat laatste op een ver­gadering van de vakbond op 9 november 1930: ‘…dat zij op dezen goeden weg zullen voortgaan door pal te staan voor hun katholiek beginsel’. De arbeiders kre­gen tijdens die vergadering ook de volgende oproep aangereikt:

Weest Katholiek in woord en daad
Wordt lid der R.K.W.V.
Leest het dagblad ‘De Volkskrant’
Steunt het ‘Herwonnen Levenskracht’
Verzekert U en spaart bij ‘Concordia’
Koopt uw waren in de eigen Cooperatie
In een woord:
Weest een echt Roomsch Werkman!

Die coöperatieve winkel waarvan in  het lied sprake was, lag aan de Gel­derstraat A 80, een pandje dat er nog steeds staat, recht tegenover de winkel van Zigenhorn, met op de gevel in verweerde letters ‘Tapijtcentrale’.

3. De Mariagrot in Baarschot, in 1945 gebouwd uit dankbaarheid jegens het feit dat er in dit buurtschap geen oorlogsslachtoffers waren te betreuren. Links van de grot liep vroeger een zandpad (met een fietspaadje) dat later bij de herverkaveling is verdwenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet alleen landelijk werd ‘den roomschen werkman’ in het bijzonder, en de katho­liek in het algemeen, voortdurend op het hart gedrukt om zich toch vooral aan te sluiten bij organisaties uit eigen kring, ook plaatselijk werd er bijna permanent campagne gevoerd voor het r.k. verenigingsleven. De ambitieuze en omstreden pastoor Jurgens ontpopte zich eerst in Esbeek en later in Hilvarenbeek als een fana­tieke herder die niet duldde dat ‘zijn’ schapen zich aan zijn kudde onttrokken. Zo was Jurgens in 1908 grondlegger van de  Katholieke Kring in Hilvarenbeek. Dat was een soort overkoepelende organisatie van vier verenigingen: toneelclub Maet Hout Staet, de drankbestrijdersvereniging ….., harmonie Leonardus en de biblio­theek St. Adrianus. Een paar keer per jaar verzorgde de Katholieke Kring avonden in eerst het r.k. patronaat (genoemd naar de stichter: Leornardus Jurgens) en later het r.k. parochiehuis St. Adrianus. Rooms-katholiek waren ook de geitenfokvereni­ging, de boerenbon­den, de melkfabrieken, het Wit Gele Kruis, de Bond van Groote Gezinnen, de bond van onderwijzers, de middenstandsvereniging, enz.

4. Vier kinderen van de familie Naaijkens knielen devoot bij de Calvarieberg op het kerkhof van Biest-Houtakker; april 1955.

DRONKENSCHAP OP DE KERMIS 

Ton de Jong heeft in de vorige Paradijs een aantal roerige incidenten van de Beekse kermis belicht. Het kwam zelden voor dat de kermis geheel vreedzaam verliep, dat was (en is) in andere gemeenten overigens niet anders. Het weer was trouwens elk jaar evenzeer een factor van belang. Een bericht uit de Hilverbode van 14 juni 1952:

Zo is de kermis van 1952 weer achter de rug en zijn de portemonnaie’s weer een heel stuk lichter geworden. Of niet misschien, want algemeen heeft men de indruk gekregen dat zeker op het kermisterrein zelf de drukte wel eens heel wat groter is geweest. Vooral de Zondag werd ernstig gehandicapt door de onze­kerheid van het weer, dat zich te vroeg ontlaadde in een stevige regenbui. Ove­rigens heeft de kermis, behoudens enkele vrij onbetekenende incidentjes, een heel rustig verloop gehad. Het is alleen maar jam­mer dat de laatste avond en­kele brooddronken jongelui (de helden namen te vlug de be­nen om ze te kunnen attraperen) meenden aan de brandklok te moeten hangen. Gelukkig had de ‘grap’ geen resultaat, maar nietemin zal elk weldenkend mens het erover eens zijn, dat het een kinderachtige, laffe en bovendien gevaarlijke streek is.

Er zijn weinig foto’s in omloop van de kermis van vroeger, terwijl er, naar je mag aannemen, toch heel wat foto’s zijn gemaakt. Wie heeft er thuis in de schoendoos of in het familiealbum nog kermisfoto’s? Neem contact op met de redactie: emmanuel@naaijkens.nl

5. De kermis in Hilvarenbeek, jaren zestig. Foto Ran Naaijkens

VOETTOCHTEN VAN PAX CHRISTI

Bezinning, gebed en geestelijke vorming waren ook de doelstellingen van de voettochten van Pax Christi, die hun hoogtepunt hadden in de jaren zestig. Hilvarenbeek is ook een aantal keren etappeplaats geweest voor de wandelaars.
Pax Christi is in 1945 in Frankrijk opgericht door een aantal katholieken, die wilden voorkomen dat de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk ooit nog met elkaar in oorlog zouden raken. Zij predikten verzoening tussen de volkeren, een streven dat al gauw werd uitgebreid naar andere landen in Europa. Het was dus een vredesbeweging die in 1948 een Nederlandse afdeling kreeg. Voettochten in het teken van bezinning, ontmoeting en gebed waren vanaf het begin een belangrijke activiteit van Pax Christi. In 1958 maakte ook Nederland kennis met de voettochten. Scholieren in de eindexamenklas van de middelbare school werden uitgenodigd om in de herfstvakantie mee te lopen in een tocht die voerde naar de Sint Janskathedraal in Den Bosch.
Het initiatief sloeg erg goed aan, kennelijk was er in die periode bij jongeren een grote behoefte om met leeftijdgenoten van gedachten te wisselen over (geloofs-) vraagstukken. De voettochten boden, in een tijd dat de touwtjes nog strak waren aangetrokken, de jongeren bovendien de gelegenheid om in een informele sfeer met elkaar op te trekken, jongens en meisjes door elkaar.

Ik heb zelf nooit in zo’n tocht meegelopen, maar ik heb in de jaren dat Hilvarenbeek pleisterplaats was, enkele keren kapittels (zo heetten de groepen) naar hun slaapplaatsen gebracht, dat waren vaak boerderijstallen. In Hilvarenbeek werden de jongeren voor de avondmaaltijd ontvangen in het parochiehuis en de bijeenkomst werd afgesloten met een toneeluitvoering door Maet Hout Staet of een gelegenheidsgezelschap.
Wat mij is bijgebleven is het enthousiasme van de deelnemers en de uitgelaten sfeer in de groep. De deelnemers aan de voettochten raakten kennelijk in een soort roes. Oud-deelnemer Ria Blankers-Swaans uit Haghorst noemde dat in een interview met het Brabants Dagblad ‘het hosannagevoel’. Een andere deelnemer, Ankh van Burk, sprak van een euforische sfeer op de slotdag tijdens de massale eucharistieviering in de Brabanthallen. ‘Vooral na de eucharistieviering kwam er een enorme ontlading. Er werd gehost en gezongen, bisschop Bluyssen werd bejubeld.’ En: ‘Dagenlang had ik nog een zweverig gevoel.’
Volgens ‘routeouder’ Toos van Zee – Van Helden uit Berkel-Enschot hebben de voettochten menig deelnemer gevormd. Er ontstond een grote verbondenheid tussen deelnemers die elkaar in het begin niet eens kenden. Wat vooral indruk op haar gemaakt heeft is de grote betrokkenheid van de bisschoppen. ‘Dat was zo intens. Als op zaterdagavond iedereen in de Sint Jan kwam, stond bisschop Bekkers aan de deur en zei ‘welkom thuis’. Daar kreeg ik ieder jaar weer tranen van in mijn ogen’.
Begin jaren tachtig was er nog maar weinig animo onder jongeren om aan de voettochten mee te doen en viel het doek.

Deelnemers aan de voettocht van Pax Christi verlaten Hilvarenbeek via de Diessenseweg. Foto jaren zestig.

EEN REUS MET EEN PIEPSTEM

Het bestuur van Stichting de Beekse Beiaard heeft ambitieuze plannen. Men wil maar liefst € 150.000 inzamelen om een grondige opknapbeurt van het carillon mogelijk te maken. Het klokkenspel is volgens de altijd enthousiaste vrienden van de beiaard hard toe aan restauratie, want het geluid dat de verzameling klokken nu produceert is als van een reus met een piepstem. Een mooie vergelijking trouwens. En dat heeft niets te maken met de kwaliteit van de beiaardier, want we hebben in ons dorp in de persoon van Gideon Bodden op dat gebied het neusje van de zalm. Het is niet voor het eerst dat er geklaagd wordt over de kwaliteit van het Beekse carillon, dat was bijna honderd jaar geleden ook al zo.
Naar we mogen aannemen hebben er in de toren van de St. Petruskerk, die dateert van omstreeks 1450, altijd klokken gehangen, dat wil zeggen luidklokken. Dat er in de toren luidklokken hingen weten we uit de verslagen over de torenbranden in 1546 en 1615, waarbij gemeld is dat er klokken vernield waren. De oudste klok die nu nog in de toren hangt is in 1536 gegoten door Jasper Moer en die geniet vooral bekendheid als het ‘Johanna van Brabant-klokje’, dat elke avond iets over negen uur te horen is.

Vanaf welk jaartal er een carillon in de toren is geïnstalleerd is niet duidelijk. Bekend is dat in 1723 de Hemony-klok is opgehangen. Dit klokje was voor veertig gulden gekocht van de abt van Postel en moest worden ‘geëmployeert in het speelwerck’, oftewel de beiaard. Omstreeks 1775 is er door de klokkengieters Alexius en Henricus Petit, met gebruikmaking van enkele oude klokken, een nieuw speelwerk geleverd. Dit carillon heeft tot zeker 1874 dienst gedaan, want in dat jaar besloot de gemeenteraad om, op aandrang van notaris Frencken, wat aan de kwaliteit van het muziekapparaat te doen. Een opdracht die werd uitgevoerd door firma Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel. Totale kosten ruim 1600 gulden.
Maar deze renovatie kon niet verhinderen dat het klokkenspel langzaam in verval raakte. Er was een klavier aanwezig om de beiaard te kunnen bespelen, maar er was niemand die daar interesse in had en het klavier is daarom op een gegeven moment gesloopt. Maar ook het speelwijsje dat, via de speeltrommel, op gezette tijden ten gehore werd gebracht begon allengs valser te klinken omdat kapotte ‘tanden’ in de trommel niet vervangen werden.
In 1920 laat mr. A. Loosjes zich in het vakblad ‘De Torenmuziek in de Nederlanden’ dan ook negatief uit over de toestand van de Beekse beiaard. Dankzij dat artikel weten we trouwens welke deuntjes er in die tijd op respectievelijk het hele en het halve uur te horen waren, namelijk Als in het park de bladeren vallen (Wenn die Blätter leise rauschen) en Helemaal alleen (Long long ago). Liedjes die al veertig jaar gespeeld werden.
De gemeenteraad trok zich de kritiek aan en mede door een groeiende belangstelling voor carillons in den lande werd in 1924 besloten een nieuwe beiaard te installeren. Dat had nog heel wat voeten in aarde, omdat er plaatselijk geen deskundigen waren. Links en rechts werden adviezen ingewonnen en er werden zelfs muzikale inwoners op pad gestuurd om – letterlijk – hun oor te luisteren te leggen. Deze afgezanten wisten bij terugkeer een ding met zekerheid te melden aan de gemeenteraad: ga niet met de dubieuze firma Petit en Fritsen in zee. De gemeenteraad negeerde dat advies en dus kreeg de firma uit Aarle-Rixtel de order.
Daarop besloot notabene de minister van Onderwijs in te grijpen! Om een lang verhaal kort te maken, de opdracht ging alsnog naar het bedrijf Eijsbouts. Deze firma uit Asten besteedde het feitelijke gieten overigens uit aan de Britse firma Gilett en Johnston. En zo had Hilvarenbeek in 1928 een nieuw carillon.

In 1942 gaf de Duitse bezetter het bevel om in heel Nederland de klokken uit de kerktorens te halen, zodat deze konden worden omgesmolten tot wapentuig. Het karwei werd uitgevoerd door de Heerlense firma Meulenberg. In heel Nederland werden ongeveer 4600 klokken geroofd. In 1943 waren o.a. Hilvarenbeek, Esbeek en Diessen aan de beurt. Naar verluidt werden een dag van tevoren uit protest een uur lang de klokken geluid, maar dat mocht niet baten. In Hilvarenbeek probeerden enkele dappere inwoners om in ieder geval de Hemonyklok, die kennelijk niet zo zwaar was, veilig te stellen. Ze verborgen deze oude klok in het Witte Huis, het pand op het Vrijthof waar nu de voormalige pastorie staat. Vanwege de dreiging met represailles werd de vindplaats aan de Duitsers bekendgemaakt.
O.a. de Hemonyklok ontkwam aan de smeltoven en keerde na de oorlog terug in Hilvarenbeek. In totaal vier oude klokken hadden de oorlog overleefd. De gemeenteraad besloot een nieuwe beiaard aan te schaffen en in 1949 was de installatie een feit. Dat zal mede te danken zijn geweest aan burgemeester Jan Meuwese die een fervent beiaardier was.
Deze opdracht ging naar klokkengieterij Van Bergen in Heiligerlee. De nota voor de 42 klokken bedroeg 20.000 gulden, waarvan een deel werd opgehoest door de bevolking. Een bijzondere klok in het carillon is die met het opschrift THEO. Deze klok is geschonken door de ouders van Theo Vogels, de Beekse verzetstrijder die na ontberingen in een Duits concentratiekamp is omgekomen.
Vergelijken we die 20.000 gulden met de 150.000 euro (ruim 330.000 gulden) die de restauratie nu gaat kosten, dan moeten we vaststellen dat de prijsstijging in ruim vijftig jaar aanzienlijk is. Opnieuw wordt de bevolking gevraagd om een steentje bij te dragen. Omgerekend per kilo bedragen de kosten € 50.

Mensen die de Stichting de Beekse Beiaard willen steunen kunnen dat doen door een bedrag te storten op giro 1643298. Wie diep in zijn portemonnee tast en de kosten van een hele klok voor zijn rekening wil nemen mag zijn naam in een klok laten graveren. Voor nadere informatie, Eekhool 49, 5081 RB Hilvarenbeek.

Op 2 juli 1949 leverde de firma Van Bergen het nieuwe carillon af bij de Beekse toren.

KLEINE BEELDENSTORM

Toevallig kwam ik in de Nieuwe Tilburgse Courant van 4 januari 1950 een piepklein berichtje tegen met wat cijfers van de parochie St. Petrus Banden over het voorgaande kerkelijke jaar. De Beekse parochie telde toen 3700 zielen, 36 parochianen waren overleden en 62 kinderen hadden de H. Communie gedaan. In totaal waren er in het jaar 1949 (afgerond) 158.000 hosties uitgereikt, een toename van 12.000. Of dat veel was, en of er tussen parochies misschien een soort competitie was wie de meeste hosties kon uitreiken, heb ik niet kunnen achterhalen.

Publicist Ed Schilders heeft in een aantal afleveringen van zijn vaste rubriek In het web gevangen, elke maandag in het Brabants Dagblad, aandacht geschonken aan de H. Communie in de periode voor de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Een onderwerp dat kennelijk tot de verbeelding spreekt, want hij kreeg tal van reacties van mensen die vaak slechte en soms onthutsende herinneringen hebben aan de strenge en zeer gedetailleerde regels, die golden voor het ter communie gaan.
Vooral de verplichting om nuchter ter communie te gaan, heeft veel kinderen ware nachtmerries bezorgd. In zijn rubriek laat Schilders onder meer een mevrouw aan het woord, die in mei 1944, op de dag dat ze haar eerste communie zou doen, van de zenuwen ’s morgens een hapje eten nam. Paniek in huis, want volgens de kerkelijke regels moesten katholieken die ter communie gingen vanaf 00.00 uur nuchter blijven, dat wil zeggen dat men zich van spijs en drank moest onthouden. Er werd een pastoor geraadpleegd en die sprak hel en verdoemenis uit over het jonge meisje.

Schilders schrijft dat hij zelf als misdienaar op weg naar de kerk, tijdens een sneeuwbui zijn mond stijf dichthield omdat hij bang was dat er een vlokje sneeuw in zijn mond zou waaien. Een mooi verhaal, maar toch wat overdreven. Op 10 januari 1953 was namelijk in de Osservatore Romano, de spreekbuis van het Vaticaan, de encycliek Christus Dominus gepubliceerd. Daarin werden een aantal regels ten aanzien van het nuchter zijn voor de communie, versoepeld. Met name bepaalde beroepsgroepen (arbeiders, verpleegsters), huismoeders (zwanger of niet) en schoolgaande kinderen, hoefden voortaan tot slechts een uur, voorafgaand aan de communie, nuchter te zijn.
De nieuwe encycliek van Paus Pius X moet bij de gelovigen een zucht van verlichting teweeg hebben gebracht, want er kwam een algemene versoepeling die voor iedereen gold, ook voor de priesters. Water drinken (dus ook sneeuw) was namelijk voortaan onder alle omstandigheden toegestaan. Het is in dat licht heel begrijpelijk dat de Nieuwe Tilburgse Courant op 12 januari 1953 de voorpagina opende met de kop: Voor het communiceren mag men water drinken.

Mijn eigen herinneringen aan het ter communie gaan, worden ook sterk gekleurd door de angst dat je niet nuchter was. De hele ceremonie was best spannend voor een kind. In lange rijen naar de communiebanken, knielen en met je handen gevouwen onder het kleed, en dan maar hopen dat er niks mis ging als je je tong uitstak waar de priester de hostie oplegde.
De schrik zat er goed in, bij jong en bij oud. De H. Communie was een rijke voedingsbodem voor het kweken van schuldgevoel en gewetenswroeging. Dat is misschien de verklaring voor het feit dat, voor zover ik weet, zonder slag of stoot de rijk versierde communiebanken, met vergulde hekjes in het midden, in de jaren zestig zijn gesloopt. Volgens dokter H. Ruhe was die communiebank van donkergroen marmer, met in tin gegoten panelen. ‘Wat er nog van over is staat in het museum De Schorsmolen’, schreef Ruhe in 1980. Met Pasen 1965 werd een restauratie van de kerk afgerond, die het interne aanzicht een meer soberder karakter gaf. Dat was maar goed ook, volgens het Nieuwsblad van het Zuiden, want ‘de kerk was een verzamelplaats van curieuze zaken geworden’. Zo werd de gotische versiering op de kop van de kerkbanken vakkundig weggezaagd, de traditionele kruisweg verwijderd. De bonte plafondschildering verdween. Een kleine beeldenstorm zogezegd. De kerk van Diessen volgde in 1971, toen maakten de kerkbanken plaats voor Brabantse knopstoelen. Deze vernieuwing was echter een restauratie, want de kerk had oorspronkelijk geen vaste kerkbanken.

Tot slot nog een terzijde, uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 30 juni 1932: “Onze Zeer Eerwaarde Heer Pastoor van Beijnen is heden van zijn reis naar Engeland in zijn parochie teruggekeerd”. Concurrent het Nieuwsblad van het Zuiden was op 1 juli iets uitvoeriger in zijn berichtgeving: “Bij de sluiting van het Eucharistisch congres te Dublin werd Zondag in onze parochie een biddag gehouden, voorafgegaan door eene algemeene H. Communie, zulks in verband met de deelname aan genoemd Congres door den Herder der Parochie. Gisteren is de ZeerEerw. Heer Pastoor van Beijnen van zijn buitenlandsche reis weergekeerd”.

Interieur Beekse kerk, omstreeks 1910

VREEMDE ZIEKTE

Zorgen en angsten over epidemieen en enge, onbekende ziekte zijn van alle tijden. Op 2 juli 1932 meldt de NTC: “Nog steeds is de paling in de Reusel lijdende aan een vreemde ziekte. Bij tientallen zien mensen de doode en zieke dieren in het water drijven. De zieke dieren, welke zich makkelijk laten vangen, vertoonen witte vlekken over het gehele lichaam. Voor consumptie zijn ze ongeschikt”.

VELDWACHTER TE DIESSEN

Kees Schoenmakers vierde op 1 juli 1932 zijn zilveren jubileum als veldwachter in de gemeente Diessen. Kennelijk lag hij wel goed bij de bevolking. Een dag later meldt de krant: “De geachte jubilaris moest de hele dag vele gelukwensen in ontvangst nemen”. De werkzaamheden van Schoenmakers waren ook echt die van een veldwachter, een Bromsnor zoals uit de tv-serie Swiebertje. Zo zien we hem op een foto uit juni 1930 bij de H. Hartstoet, met zijn handen op zijn rug voortsjokkend. Gezag had de veldwachter niet echt. ‘Een onderbetaald hulpje van de gemeente’, lezen we in Van Deusone naar Diessen. Schoenmakers’ voorganger Driekske van Gool moest in 1900 nog op eigen kosten een nieuwe uniformjas kopen. Een nieuwe pet, ja, die wilde de raad wel betalen.
Maar misschien hoefde Schoenmakers ook niet zoveel indruk te maken op de bevolking, want zijn baas burgemeester G. Nijssen (van 1923 tot 1931) stond in zijn vorige baan als opperwachtmeester-brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee in Hilvarenbeek bekend om zijn harde hand. Volgens burgemeester De Rooij van Hilvarenbeek was Nijssen ‘driftig’ en greep hij bij opstootjes al gauw naar de gummiknuppel.
De nieuwe veldwachter J. Severs, die in 1933 Schoenmakers opvolgde, had als politieman een degelijke reputatie, hij kreeg een behoorlijk salaris en wat vergoedingen, onder meer voor het gebruik van zijn rijwiel. Verder kreeg hij gratis een huis ter beschikking en hoefde hij niet te betalen voor medische zorg. De raad vond dat kennelijk een investering die wel zijn geld moest opleveren. In de raadsvergadering van donderdag 5 april 1934 (aanvang 10.00 uur ’s ochtends) vraagt het lid Roozen ‘den veldwachter op te dragen, de inwoners te waarschuwen, dat zij hun kippen moeten vasthouden een zekeren tijd’. Burgemeester Voets zegt dat toe. ‘Heuvelmans zegt, dat de kinderen ook wel eens gewaarschuwd mogen worden, dat zij niet op de akkers loopen’. Ook dat zal den veldwachter worden opgedragen, belooft de burgemeester. Aldus het verslag in de Nieuwe Tilburgse Courant van 6 april 1934.
Severs moest ook een oogje in het zeil houden wat de zedelijkheid betreft. Met name moest hij een particlier kampeerterrein in Baarschot in de gaten houden, waar ’s zomers veel gasten uit de Randstad verbleven. En die namen het, in de ogen van verontruste Diessenaren, niet zo nauw met de fatsoensnormen.

Veldwachter Schoenmakers uit Diessen met zijn gezin

BOUWVAKKER ZEEBREGTS OVERKLEEFDE IN 1881 VAL VAN 22,5 M.

In Paradijs nr, 62 doet Ton de Jong de geschiedenis uit de doeken van de aannemersfamilie Zeebregts. Dat het metselen en timmeren de Zeebregtsen in de genen zat, blijkt ook uit een bericht in de Nieuwe Tilburgse Courant (NTC) van 6 april 1934. Het gaat om een aanbesteding van de bouw van een burgerwoning in opdracht van de dames A. en P. van Leest. De namen van de inschrijvers die we daarin aantreffen zijn Ant. Zeebregts, Aug. Zeebregts en J. Smolders-Zeebregts. Die laatste is trouwens een echte bouwfamilie, want ook de Smoldersen waren in deze sector actief. Tot de inschrijvers behoorden verder Gebr. Smolders, Fa. Smolders-Van Wijk en Th. Smolders uit Esbeek. De leiding van de aanbesteding was in handen van de heer A. Smolders-Van Opstal. Opvallend trouwens dat particuliere aanbestedingen publiekelijk bekend werden gemaakt. Om fraude te voorkomen?
Bouwvakker zijn was geen ongevaarlijk beroep. De Esbeekse meester Lauwers heeft in een schriftje, vermoedelijk in 1913, het relaas opgetekend van de metselaar Harrie Zeebregts, die van de toren viel, maar dat wonderlijkbaarlijk overleefde. Hieronder de aantekeningen van meester Lauwers:

Val van Harrieke Zeebregts van de toren van Hilvarenbeek (genoteerd uit eigen mond).
In 1881 stond onze toren ook in stellingen.
Op Woensdag van de Tilburgse kermisweek 1881 viel de metselaar Harrieke Zeebregts van de toren van een hoogte van 22,5 M., zonder noemenswaardig letsel. Hij stiet zijn ??? en na een uur werd zijn knie wat dik.
Door de slag met z’n hoofd op de stenen was hij wat duizelig. De stenen op de grond waren wat ingedeukt. Na een paar uur rusten kroop hij uit bed en deed de ommegang.
’s Avonds was hij lekker zat.
’t Gebeurde onder de volgende omstandigheden.Er kwam een donderschaar opzetten. Tot 22,5 m. stond een stelling. Hogerop werkte hij in het bakje. Een broer zei: Harrie kom eruit en haal boven het katrol en touw, anders wordt alles nat. Hij liet zich zakken en toen hij uit het bakje stapte brak de plank, waarop hij kwam en sloeg achterover buiten de stelling om naar beneden. Onderweg haakte hij met z’n kleren aan een uitstekend deel van een ‘korteling’, de kleren scheurden, maar de val was gebroken.Hij bracht het er buitengewoon goed vanaf.

De redding werd toegeschreven aan het volgende:
Daags tevoren kreeg moeder met een frater een gesprek over een ‘schabulier’. Hij zei: Als de kinderen die dragen zullen ze niet verdrinken. Hij zei verder: Ze zullen dan ook niet verongelukken. Dragen uw kinderen een schabulier? Tot haar schande moest de moeder bekennen, dat ze die niet droegen. Maar zij ging dadelijk naar de winkel om er een te kopen. Om 8 uur hadden de kinderen er een aan en om 4 uur viel Harrie met een schabulier aan van de toren met het bekende gevolg.
En volgt er nog een aantekening van Lauwers uit 1926:
In 1926 zag ik Harrieke vallen uit het koepeltje van het in aanbouw zijnde huis van C. Lambregts te Esbeek. Hij viel als een klot, kuchte wat en strompelde weg.

En wat lezen we in de NTC van 16 april 1934: Metselaar H. Zeebregts is, als duopassagier op een motor, in Esbeek betrokken bij een ernstig ongeval. Hij loopt een zware hersenschudding op.

VERKEERSCONTROLES IN 1934

Aan de borreltafel mopperen we graag over de verkeersontroles op de Nederlandse wegen, die de kassa van de overheid steeds meer laten rinkelen. In de gemeente Hilvarenbeek staat inmiddels een tiental flitspalen, zowel in de bebouwde kom als op doorgaande wegen, om de snelheidsduivels te betrappen. Als troost bijgaand bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) van april 1934 over verkeerscontroles in Hilvarenbeek:

Waarschuwing.
Wielrijders en bestuurders van andere rij- en voertuigen worden in hun eigen belang er op gewezen, zich streng te houden aan de regelen van den weg. Waar op hoeken van straten de te volgen richting nader op den weg is aangeduid, zij men vooral waakzaam, want verschillende bekeuringen kwamen reeds voor. Ook op den weg naar Tilburg, bij den uitgang van het dorp, zij men op zijn hoede. Men moet ook daar rechts van den weg rijden en niet het linkervoetpad volgen. Men kan hier argeloos inloopen.

Dat verkeersdeelnemers op de bon werden geslingerd, weten we uit het Register van Processen Verbaal van de gemeente Hilvarenbeek. Zo kreeg Antonius Bogaers (een beroepschauffeur) uit Tilburg op 12 november 1932 een bekeuring wegens overtreding van de maximumsnelheid. Op 8 november was buschauffeur Johannes Vingerhoets de klos. Drie andere automobilisten reden die dag ook te hard. Hoe hard is in het register niet genoteerd. Op 29 november deelden de agenten acht processen verbaal uit, op 12 januari 1933 vijf stuks. Op 14 maart acht bekeuringen. En zo gaat dat maar door. Hoe ze de snelheidscontroles uitvoerden is mij niet bekend, ook niet wat de hoogte van de boetes was. Contant afrekenen (een transactie heet dat in juridisch jargon) was er blijkbaar niet bij, alle processen verbaal werden doorgestuurd naar de officier van justitie.

Zicht op Beekse toren vanuit de Gelderstraat, jaren dertig